Op de trap daar zit een meisje
’t Is nacht, ze is alleen
En te klein om op te blijven
Voor Herman van Veen
Want haar ouders brachten haar net
Naar bed en zeiden: “Straks
ga je slapen, morgen kijken
’t Staat op de betamax”
Maar als zij de trap aflopen
Zijn haar ogen al weer open
Ze zal straks haar bed uitspringen
Om Van Veen te horen zingen
Rozengeur, maneschijn
Rozengeur, maneschijn
Rozengeur
Ze heeft uren zitten kijken
Daar op de elfde tree
Langs de deurpost, langs haar ouders
Precies naar de tv
En veel later op het schoolplein
Als puber en alleen
Heeft ze stiekem op haar walkman
Nog steeds Herman van Veen
En geen trend zal dat veranderen
Want ondanks alle anderen
Helpt niets bij zware dingen
Dan Van Veen te horen zingen
Rozengeur, maneschijn
Rozengeur, maneschijn
Rozengeur
Rozengeur, maneschijn
Rozengeur, maneschijn
Rozengeur, maneschijn
Rozengeur