Wanneer ik een clochard zie, denk ik altijd: goh, wat fijn toch dat ik niet zo ben
Dat ik Latijn en Grieks en mijn klassieken ken
Met opgeheven hoofd loop ik dan straal langs die clochard
En denk: krijg jij de klere maar, krijg jij de vieze, vuile, vette, gore klere maar
Tegen mijn vrienden zeg ik: hoe zo’n clochard moet leven
Denk eens in hoe koud ie het moet hebben ’s winters, erg hè
Maar ondertussen denk ik: fijn
Moet je maar niet zo anders dan een ander willen zijn
Gezond verstandeloos, familiebandeloos, tandeloos, een-daggie-naar-het-strandeloos
Vakantielandeloos, ach zeg maar gewoon van allerhande loos
Ik mag ze zo graag liggen opgerold in een portiek
Dan voel ik mij de hele dag weer extra energiek
Hangt er soms eens eentje met zijn snufferd in de vuilnisbak
Dan denk ik altijd: ja, ik denk dat ik eens vanmiddag een lunch in het Okura pak
Ze zijn een groot probleem op intermenselijk, sociaal en kerkelijk terrein
Maar, goh ,wat fijn, wat fijn, wat fijn, dat ze er zijn
Want soms, heel soms, heel soms, heb ik een milde bui, hè
Dan stop ik vlak bij de clochard,
Pak met een keizerlijk gebaar
Een gulden uit mijn beurs
En laat die voor het oog van allen
Zo in de slaapzak van die arme sloeber vallen
Hè, dat heeft iets, ja, hoe moet ik dat nou zeggen
Geen woord voor, a ja, dat heeft iets
Iets superieurs, ha