Op mijn plat
in de grote stad
zat ik, diep in gedachten, te wenen.
Ik had een schat
van een meid gehad,
maar die was al heel snel weer verdwenen.
Mijn verdriet
was zo erg nog niet,
want het ging me al spoedig vervelen.
‘Geen hand vol,’ dacht ik,
‘maar een land vol!’ dacht ik
en begon op mijn trekzak te spelen.
Ja, ik woonde op driehoog achter,
zat er op het balkon met mijn accordeon.
En een buurman riep: ‘Kan het wat zachter!’,
maar een buurvrouwtje wou dat ik toch weer begon.
‘Aan de Amsterdamse grachten’
en die prachtmelodie
‘Sous les ponts de Paris’,
‘La bande a Bouboule’
en het lied van ‘Padam’
op dat plaatsje in oud Amsterdam.
Op mijn trap
hoorde ik een stap:
’t was die bloedmooie vrouw van beneden!
En al gauw
is die mooie vrouw
in mijn grijpgrage armen gegleden.
Gauw getrouwd
en het flink berouwd
en daarom uiteraard weer gescheiden.
Ach, tijdens een
alimentatiegesprek
zongen wij voor het laatst met z’n beiden.
Ja, ik woonde op driehoog achter,
zat er op het balkon met mijn accordeon.
En een buurman riep: ‘Kan het wat zachter!’,
maar een buurvrouwtje wou dat ik toch weer begon.
‘Aan de Amsterdamse grachten’
en die prachtmelodie
‘Sous les ponts de Paris’,
‘La bande a Bouboule’
en het lied van ‘Padam’
op dat plaatsje in oud Amsterdam.
Submitted by GM1970 at Sun 03 Jul, 2011 1:00 am