Ik was vijftien jaar en ik voelde me rot.
Ik was broodmager, het mikpunt van spot.
Ze lachten me uit op school en op straat.
Had het die dagen dikwijls te kwaad.
Mijn schoolwerk was slordig, vol stommiteiten.
Mijn pa overlaadde me thuis met verwijten,
terwijl moeder het liefste me het huis uitdrong.
Nergens meer uitkomst, terwijl iedereen zong:
Dingedong!
Je bent jong, ah, je bent jong!
Dat zijn pas tijden!
Je bent te benijden,
want je bent jong!
Dingedong!
Je bent jong, alle ???
je bent jong!
Ik was vijftien jaar en ik was eenzaam en bang.
Ik was onzeker en de dag duurde lang.
Geen mens gaf me warmte, ik was altijd koud.
Komt er ooit nog iemand die van me houdt?
Ik leek wel bij niets of bij niemand te passen.
Ik wou me van wanhoop ook niet meer wassen.
Dan zei ik bij mezelf dat eenzaamheid stonk,
besefte terdege hoe anders dat klonk, dan:
Dingedong!
Je bent jong, ah, je bent jong!
Dat zijn pas tijden!
Je bent te benijden,
want je bent jong!
Dingedong!
Je bent jong, alle ???
je bent jong!
Ik was vijftien jaar, om me heen was het nacht.
Ikzelf had meer van mijn jonkheid verwacht.
Ik had op liefde gehoopt, op warmte en licht,
maar de meisjes hielden hun lippen stijf dicht.
Terwijl anderen lachten en zeilden en vrijden,
was ik mijn zelfmoord voor aan ’t bereiden.
Ik ben blij dat ik niet van die torenflat sprong.
De wanhoop nabij, terwijl iedereen zong:
Dingedong!
Je bent jong, ah, je bent jong!
Dat zijn pas tijden!
Je bent te benijden,
want je bent jong!
Dingedong!
Je bent jong, alle ???
je bent jong!
Submitted by GM1970 at Sun 03 Jul, 2011 12:41 am
Last updated by Anonymous at Sun 03 Jul, 2011 12:42 am